
De presentatie van mijn boek Saga van Salland, de geschiedenis van een familie was een groot feest. De zaal van De Schalm in Mariënheem zat bomvol — waar anders zou ik dit boek presenteren. Ik voelde me vooral dankbaar: voor de mensen, voor het boek, voor de warmte waarmee het werd ontvangen.
De week erna begon het echte werk. Ik stuurde de eerste boeken op en ging als een soort rondreizende vertegenwoordiger met een doos onder mijn arm langs de boekwinkels. Salland was mijn rayon. Bestellingen binnen de gemeente Raalte bracht ik gewoon zelf op de fiets rond. Verzendkosten vond ik zonde. Vaak belde ik even aan. De meesten kende ik niet, maar ik werd regelmatig binnengevraagd voor een kop koffie.
Toen kwamen de eerste reacties binnen. Vooral die van ooms en tantes vond ik spannend — ik schreef tenslotte over hún ouders. En natuurlijk die van mijn broers: wat zouden zij vinden van wat ik over onze ouders had opgeschreven. Voor hen was het minstens zo spannend.
Iedereen reageerden overigens positief. Ik maakte nieuwe contacten, kwam op plekken in Salland waar nog nooit was. Ik raakte betrokken bij Salllandse projecten. En wat ik leuk vond: ik sprak meer dialect dan ooit.
Ja, en nu? Omdat toen ik begon met schrijven bleek dat ik eerst het verhaal van mijn voorouders en ouders moest vertellen; mag ik dan nu eindelijk aan dat van mij beginnen? En zo ja, hoe ziet dat er dan uit? Want het is niet zo dat nu ineens alles anders is. En hoe het verhaal verder gaat weet ook niemand. Ik ben blij dat ik het verhaal van mijn voorouders en ouders mocht vertellen. Hun verhaal is ook de mijne, een geschiedenis die lang geleden is begonnen.