
Waar begin ik te vertellen? Waar begon het ooit? Wanneer begint iets eigenlijk?
Negen maanden na de eerste afspraak zat ik opnieuw tegenover mijn begeleider. “Hoe,” vroeg ik met mijn armen geheven, “krijg ik in hemelsnaam al die puzzelstukjes uit mijn hoofd, naar hier— ik wees nu naar mijn middenrif —door deze trechter en vervolgens plat op papier?” Mijn handen bewogen inmiddels richting mijn bekken en verder naar beneden. Ze moest lachen. “Het lijkt wel alsof je een kind moet baren, Hans.”
Ik had een enorme stapel papieren bij me, zo dik als een pak printpapier. Alles had ik opgeschreven: herinneringen, interviews, zelfs mijn dagboeken had ik overgetypt. “Dit bedoel ik,” zei ik. “Vierhonderd pagina’s vanaf punt nul. Hoe krijg ik hier in vredesnaam een kaft omheen?”
“Ingewikkeld hè,” zei ze glimlachend. “Maar maak je het niet te groot. Misschien mag het eenvoudiger?” Ik keek haar aan en zei toen ja. Ik knikte. Als er een repeterende les was de afgelopen jaren dan was het deze wel.
Ondertussen bladerde ze zowat door het pak papier. “Wat is dit?” vroeg ze. “Oh, een kleine inleiding,” zei ik. “Het decor van het nest waarin ik terechtkwam bij mijn geboorte. Leek me handig om dat eerst te schetsen, voor ik met het echte verhaal begon.”
Ze was even stil. “En hoe zou het zijn om voor je verhaal dáárvan uit te gaan?”
Ik keek naar de tien bladzijden, verdeeld over vijf kleine hoofdstukjes. Meer was het niet en ik moest opeens grinneken. Want misschien was het helemaal niet zo vreemd dat ik geen begin kon vinden. Toen ik werd geboren viel ik immers ook maar gewoon midden in een verhaal dat al veel langer liep. Daarin was ik slecht een nieuw hoofdstuk. Dat klonk ineens heel simpel.
Ik pakte het pak papier erbij, alles op een rij vanaf het moment dat ik ter wereld kwam. Het was een hoop werk, en niet voor niets. Alleen zat daar dus nog een stukje vóór. Waarschijnlijk al een heel kluif op zich, misschien moest ik gewoon daar maar eens mee beginnen.