
Achteraf is het logisch. Want terugbladerend naar het moment waarop mijn blad nog onbeschreven was ontdekte ik dat ik het weliswaar kon inkleuren, maar dat mijn kleurenpalet voor een deel was bepaald door het nest waarin ik was terecht gekomen. Het verhaal ging al veel verder terug.
Met het plan juist dit wat-ging-vooraf-verhaal te gaan vertellen begon ook het grote componeren. Nu kon ik al die fragmenten, snippers en flarden tekst op volgorde gaan leggen, alinea voor alinea. Er ontstond een hoofdstuk, en nog een.
Ik husselde dag in dag uit met zinnen. Over tien regels kon ik gerust twee weken doen. Onder het fietsen schoot me ineens een zin te binnen. Dan was het snel afstappen om het in mijn notitie-app te noteren.
Steeds maar zoeken naar de juiste woorden. Soms viel me een mooie regel in met een woord dat ik de zin ervoor ook al had gebruikt. Dat leest niet fijn dus zocht ik naar een ander woord die precies dezelfde lading kon dekken.
Gelukkig boekte ik wel vooruitgang. Want toen ik na een paar keer hard gillen nogmaals terug ging naar het begin en het eerste hoofdstuk nog eens opnieuw had neergezet, kon ik de volgende hoofdstukken daar telkens stevig tegenaan plaatsen. Toen kwam er lijn in het verhaal. Vanuit de wirwar had ik eindelijk een weg naar buiten gevonden.