
Het begon steeds sterker te kriebelen: ik móést mijn verhaal vertellen. Geen idee waar het vandaan kwam, maar achteraf is het logisch.
Jarenlang had ik van alles gedaan — intuïtieve trainingen, mannenweekenden, familieopstellingen, zweethutten, doodsrituelen, klanksessies, Haka‑workshops… noem maar op, ik deed het allemaal. Al die ervaringen, beelden en inzichten die ik opdeed. Dagboeken schreef ik er mee vol.
Creativiteit kwam komen drijven. Ik, die nooit iets schreef, begon ineens gedichtjes en korte stukjes te maken. En er ontstond een hele stapel cartoons — allemaal uit dezelfde periode.
Ook ben ik mijn familie gaan interviewen: eerst mijn tantes en oom van moeders kant, geen idee nog voor een boek. Later ook de kant van mijn vader. Ik was nieuwsgierig naar hoe het er vroeger bij hen thuis aan toeging.
Die interviews bleken later een belangrijke bron voor mijn boek. Zonder dat ik het doorhad, was ik daar dus eigenlijk al mee begonnen, druk bezig al die jaren met het verzamelen van materiaal. Kost tijd om een goed verhaal te voeden. Deze bij de kiem te laten groeien die kennelijk al eens was gelegd.